Altijd, hoe laat ik ook maar thuis kwam, stond je op me te wachten. Blij dat ik er was, spelen en natuurlijk wat te eten. Jij was voor mij een reden om altijd toch zo snel mogelijk naar huis te gaan. Samen tv kijken, samen in bed een boek lezen, samen heerlijk slapen.

Al een tijdje stond je niet meer voor de deur te wachten. Ik riep je maar je kwam niet. Je sliep, elke keer op een gekkere plek. Ik moest je dan even wakker maken om te zeggen “hallo, ik ben er weer hoor”. En dan was je toch weer even blij.

De laatste dagen stond je nergens meer voor op. Die lekkere verse melk, die hollandse garnalen en zelfs de blokjes kaas lieten je koud. Ik wist het al, maar ik wilde het niet weten.

Vandaag, toen ik zag hoe mager je nu geworden was en je me zo indringend aankeek ben ik met je in de taxi gesprongen. Je zat zelfs nog te spelen met de taxi chauffeur. Je genoot van de rit in de auto, je keek nog goed om je heen. Alsof je wist wat ik nu weet.

Toen de arts het me allemaal uitlegde werd het pijnlijk duidelijk. Ik kon je nog thuis meenemen voor een paar dagen en je allerlei medicijnen gaan geven maar het zou alleen maar uitstel worden van het onvermijdelijke.

Gestorven in mijn armen. Het spijt me. Ik hoop dat je nu de rust hebt gevonden.

En nu, nu stap ik een leeg huis binnen. En 1 ding is zeker, waar ik ook zoek…. ik zal je dit keer niet meer vinden.


Dag lieve, lieve schat. Ik zal je vreselijk missen hier in huis.

Erik

Meer foto's van Pluisje: hier