Na een dagje kart-autootjes kijken staan we in een supermarkt.
Dennis wil nog boodschappen hebben. Prima. Kleine moeite.

In supermarkten ben ik gewoon heel vervelend, zeker met Dennis samen.
De rij is lang en ik ben bekaf na al die rondjes coctails, en Dennis weet niet meer dat hij Dennis heet.

Dame achter de kassa zit met haar hoofddoekje op hard te werken. Dennis schreeuwt me nog toe “Ik zou het er op kunnen Haas”. Angstig kijk ik of achter ons iemand hem heeft gehoord. Een bejaard paar kijkt ons heel raar aan. Ik wil hier weg. En snel.

Dennis blijft zich misdragen en ik zie geen andere mogelijkheid dan gepaste maatregelen te treffen. Ik kijk om mij heen of iemand kijkt en steek mijn tong in zijn mond. Gewoon, omdat het kan.

“Haas wat doe jij nou?” schreeuwt hij uit. Ik draai me af om alleen een heel rood hoofd te zien van de dame achter de kassa. “Sorry mevrouw, het was niet de bedoeling dat u dat zag.”

Zelfs de bedrijfsleider komt achter zijn bewakingsmonitor vandaan en kijkt ons aan.

Dennis en ik lopen met tassen vol boodschappen naar buiten.

Ik: “Misschien maar nooit meer naar deze supermarkt gaan…”
Dennis: “Of gewoon helemaal nooit meer naar Huizen”
Ik: “Het proefde wel heel erg naar coctail trouwens. Lekker.”
Dennis: “Nu gewoon heel snel je bek houden en me naar huis brengen. Patries wacht.”